Menu

Bram vertelt

Index volwassen logees
 
Klik op een foto om door het album te bladeren.
 
 
Bram Bram Bram Bram Bram
Bram Bram Bram Bram Bram
 
     
  Mijn naam is Bram. Ik ben heel groot en mager, een ex-kater van ongeveer 5 kilo, veel wit met een bruingrijs gestreept dekje, petje en staart, grote oren en een grote neus, die is ook wit. Al zeg ik het zelf, de lelijkste poes ben ik beslist niet. Met een paar kilo erbij mag ik er best wezen. Oh ja, ze denken dat ik een jaar of zes ben, laat ze maar denken, ik loop al zo'n tien jaar of langer op deze aardbodem rond.Het leven van een kat gaat niet altijd over kattekruid. Daar kan ik een aardig mondje over meemiauwen. Mijn verhaal begint op woensdag 24 augustus 1994.  

Het Asiel

 
 

Weten jullie wat een dierenasiel is? Nou, ik wel, ik ben er namelijk op één dag na zeven weken geweest. Ik wist echt niet wat me overkwam. Mensen vonden me in hun tuin met een achterlijf dat niet deed wat ik wilde, mijn achterpoten gingen elke keer liggen terwijl de rest nog stond. Die mensen brachten me naar het asiel.

Daar was het druk. Ik hoorde allemaal honden blaffen toen ik even moest wachten. Er waren veel mensen en heel veel verschillende luchtjes.In het asiel kwam ik in een hok op een tafel, zodat ik gezellig naar de andere poezen kon kijken. Het was wel een oud hok, maar ze hadden even niets anders, het zat heel erg vol met poezen merkte ik wel. Het was best leuk en goed te eten kreeg je ook. Minder leuk was dat sommige mensen dachten dat ik helemaal niet beter zou worden en dat ik veel pijn had. Iedereen hoopte dat mijn eigen baasje me op zou komen halen, er mocht voor mij geen nieuw baasje gezocht worden, de dierendokter dacht dat ik nooit beter kon worden. Goh, wat heb ik mijn best gedaan om te laten zien dat mijn achterpootjes elke dag een beetje beter gehoorzaamden al zwieberden ze soms alle kanten op, net stiekjes.

Na een dag of tien kwam ik in een ander hokje, daar hoorde je de honden beter, en toen werd ik me toch ziek. Het water kwam uit mijn neus en mijn ogen en ik kon niet stoppen met niezen. Gelukkig pas ik me snel aan. Als je ziek bent krijg je ook extra aandacht, lekkere hapjes, soms een prikje met een knuffel. Ik moet zeggen dat ik me al snel weer beter voelde. Ik had ook een nieuwe naam gekregen. Manke Nelis noemden ze me. Ik vond dat erg genant en heb er ook nooit naar geluisterd. Door de prikjes en de lekkere hapjes moest ik wel erg vaak op de kattenbak.

Het grote verblijf

 
 

En toen, dat was heerlijk, kwam ik in een heel groot hok, er liepen nog een stuk of 18 andere poezen rond. De één wat aardiger dan de ander, maar goed, het was heel fijn om wat rond te hobbelen en met de andere poezen te bepraten wat er zoal gebeurde in het asiel. Ik had al snel in de gaten dat je extra lief moest doen als er een verzorger binnenkwam met bezoek. Het gebeurde vaak dat er dan een poes wegging die we niet meer terugzagen.

Toen er een keer een kat na een paar dagen weer terugkwam, hoorden we van haar dat je dan een nieuw huis kreeg. Je moest dan wel goed je best doen, niet naast de bak doen, lief kopjes geven en zo, anders kwam je weer terug. Waarom mocht ik nooit mee?

Misschien was het hierom. De dierendokter keek nog eens naar me en hij dacht dat het beter voor mij was een slaapspuitje te krijgen, omdat ik me niet prettig voelde, weet hij veel! Gelukkig vergeten ze in het asiel wel eens wat........

Op een dag kwamen er heel veel mensen naar ons kijken. Ze noemden het Open Dag, rare naam, bij ons mocht niemand binnen. Ik werd opgesloten. Ik moest veel op de bak, diarree noemen ze het. Het was zo erg, er werd zelfs een stukje van mijn vlees mee naar buiten gedrukt, maar dat was al snel over. Alle poezen mochten naar de mensen kijken, behalve ik, ik mocht mijn hok niet uit. Het kleine witje, Elfje, wel. Volgens mij was die veel zieker dan ik. Heel erg veel poezen werden in de dagen daarna opgehaald, ook Elfje, maar ik werd niet meegenomen. Dat heb je er van als niemand je mag zien. Nog een paar die er al lang waren keek niemand naar. Stom hoor, het waren juist de leukste. Behalve Spooky en Poes, zij meppen.

Later hoorde ik dat Elfje de eerste nacht in haar nieuwe thuis voorgoed is gaan slapen. Ineens kwamen er twee verzorgers naar mij. Ik kreeg een prikje. Gelukkig werd ik niet lui. Toen hebben ze me gesprayd met iets, dat stonk zo, ik kon gewoon geen adem meer krijgen. Ik werd in een mandje gezet. Ze vertelden mij dat ik een tijdje bij een verzorgster zou gaan logeren tot er een plaatsje vrij was in een tehuis. Daar proberen ze poezen die wat hebben zo ver te krijgen dat ze naar een nieuw baasje kunnen. Als dat niet lukt blijven de poezen daar wonen. Daar krijg je alleen een slaapspuitje als je het leven niet meer ziet zitten.

Uit logeren

 
 

Vanuit het Asiel, in de auto, een heel stuk. Een huis binnen en gelijk in een kamertje, helemaal alleen. Ik hoorde wel stemmen en geluid uit een kastje komen. Ik gelijk op onderzoek uit. Er stond een hele zachte stoel, kon ik eindelijk mijn nagels eens scherpen. Er bleven er vier in de stoel zitten. Het was wel saai ineens alleen. Wat zou de bedoeling zijn? Natuurlijk kreeg ik wel eten en een lekker geel plakje waar iets vies in verstopt was. Ik hoorde geluiden en ben maar lekker mee gaan galmen. Dan kwam mijn pleegvrouwtje meteen kijken. Op de vensterbank had ik ook al gezeten en van alles eraf gegooid. Ja, die achterpootjes, die deden dat, ik niet.

Elke keer werd ik gekamd. Dat was zo lekker dat ik ging liggen kronkelen van plezier. Lekker geslapen de eerste nacht in mijn hotel. De volgende ochtend kreeg ik iets wat ik kende van het asiel. Het heet dreamcat en ik vind het lekker. Toen uren niemand gezien. Veel later, toen waren ze al thuis, moest ik weer op de bak, en er kwam weer een stukje vlees mee omdat ik zo moest persen.

In een mandje, in de auto, naar de dierendokter, hij had ook zijn voorpoot in het verband. Hij zei dat ik een anusprolaps heb, is op zich niet zo erg, ik moet alleen zorgen dat ik niet te harde drollen maak. Dus brokjes eten, en als het nodig is Isogel door mijn eten. Verder voelde hij aan mijn rug. Een wervel maakte het mijn pootjes moeilijk. Ik was aangereden, dacht hij. Wel was ik goed aan het herstellen en hij zei dat het ook niet zeer deed. Hij schreef een brief over mij en vroeg mijn naam. Mijn pleegvrouwtje zei 'Bram', Bram was mooier dan Manke Nelis. Ik mocht ook vitamine B1 nemen als ondersteuning.

Terug naar mijn hotel, een paar vlooien gevangen. In mijn hotel waren meer poezen, ik mocht er nog niet naar toe omdat ze bang waren dat ik ging niezen. Vijf nachtjes slapen, als ik dan nog niet verkouden was, mocht ik rondlopen. Dan moesten ook al de vlooien dood zijn. Ik begon me wat eenzaam te voelen en meteen als de kamerdeur open ging nam ik een spurtje en probeerde snel over de plank te klimmen. Die stond daar zodat ik niet tussen de mensenbenen door kon schieten. Wat had ik al graag kennis gemaakt met de andere poezen. Drie keer per dag kreeg ik een klein beetje brokjes.

Toen pleegvrouwtje avonds even bij mij koffie kwam drinken heb ik heel brutaal ook een beetje cappuccino geproefd, ik stak gewoon mijn neus in de beker. We hebben nog heel lekker gekroeld, ik heb zo gek gedaan dat ik niet goed op mijn achterpoten lette. Ze zaten helemaal in de knoop en pleegvrouwtje lag in een deuk. Elke keer probeerde ik te laten merken dat ik wel eens wat anders wilde eten dan die brokjes, ze snapte me niet denk ik. Het enige wat ik aan lekkers kreeg was een stukje kaas met een pilletje erin.

De volgende dag kwam ze wat meer bij me kijken. Wat aanspraak af en toe was toch veel leuker. Het was heel vreemd. De deur werd ineens opengezet, het schot ging weg. Ze ging allemaal rommelen en met een zoemapparaat werken. Ja, ik had er wel een lekkere puinhoop van gemaakt. Het is goed dat mijn kattenbak in een hok stond. Door mijn rare achterpoten, die deden af en toe dingen op eigen houtje, bleven niet alle korrels in de kattenbak. Meestal vlogen er meer naast dan dat erin bleven. Pleegvrouwtje ging alles opruimen. Ze had er geen erg in dat ik al lang de trap af was. Ik wilde snel even bij de anderen gaan kijken, maar ik zag geen poezen. Ik hoorde haar roepen en ben weer maar naar boven gegaan. Ze dacht dat ik van de trap gerold was, maar dat was niet zo. Ik werd wel uitgelachen toen ik me aan mijn voorpoten de trap op trok. Later was het zo fijn gepakt te worden om te knuffelen. Dat wilde ik heel de dag wel.

Onder mijn staartje zat weer een soort framboosje, pleegvrouwtje probeerde dat terug te duwen, dat ging niet. Later was het vanzelf weer weggegaan. Hehe, ik kreeg ook weer blikvoer, dikker zou ik er niet van worden, zo weinig was het. Even was het me gelukt om over het schot te kijken. Daar zag ik een kleine zwarte soortgenoot.'s Avonds hoorde ik vreemde geluiden. En ik maar galmen en niemand kwam kijken. Ik was maar gaan slapen. Later kwam pleegvrouwtje met mijn kaasje, ze bleef ook even bij mij. Fijn samen op de grond gelegen. Ik maar stampen stampen op haar arm. Ze zei dat ze mijn nagels nog moest knippen. Pleegvrouwtje was tevreden toen ik met mijn achterpoot in mijn oor krabde. Dat was een goed teken zei ze. Van mijn nagels knipte ze ook een groot stuk af. Toen maakte het geen krrkrr geluid meer als ik over de vloerbedekking liep en ook bleef ik niet meer elke keer hangen. Het framboosje onder mijn staartje was al twee dagen niet meer te zien geweest. Wat genoten we samen achter de ramen in het zonnetje, zo lekker warm, buiten waaide het en het was koud. Vroeg op de middag was er nog visite geweest, maar ze kwamen niet bij mij kijken. Pleegvrouwtje was dikwijls bij mij komen kijken. De andere poezen had ik nog steeds niet gezien.

's Avonds kwam ze met een bakje met iets wits erin, het leek net een wolkje. Omdat het bijna geen geur had dacht ik dat het niet zou smaken. Ze smeerde wat aan mijn bek. Zoiets heerlijks had ik nog nooit geproefd, de naam heb ik goed onthouden, slagroom. Het zonnetje scheen weer lekker binnen. Heel even kwam er een kleine zwarte kater binnengeslipt, de deur was niet goed dicht. Hij rook aan mij, ik rook terug en mijn mond bleef even open staan om zijn geur goed in me op te nemen. Dat blikvoer die dag was niet lekker, konijn van Whiskas. Mijn framboosje zat weer te vervelen. Het was heel nat op de kamer. Pasgewassen kleren hingen er. Omdat het water van de ramen liep, mocht de deur open, vocht is slecht voor mij. Ik kon even rondkijken. De kleine zwarte zat ook weer in de buurt. Vlug ben ik naar beneden gegaan met mijn pleegvrouwtje achter mij. Ze wilde kijken hoe ik liep. De rechtse achterpoot deed bijna normaal. De linker deed nog raar. Af en toe sleepte mijn voetje dubbel over de grond.

Beneden ben ik een kamer in gegaan. Daar was ik nog niet geweest. Ik vond het een beetje eng. De kleine zwarte kwam in de buurt. Ik blies en zong tegen hem. Mijn pleegvrouwtje vond het welletjes en stuurde mij naar boven. Op de trap moest ik niezen. Ze schrok, ze had dat nog niet gehoord van mij. Het andere baasje, zei dat het wel van het stof of van de stress zou zijn. 'Stress', dat kende ik nog niet. Was dat iets engs? Ik moest terug mijn kamer in. De kleine zwarte zat daar en ik gromde, waarom weet ik zelf niet. 'Zoek het dan maar uit'; zei mijn pleegvrouwtje. De kleine zwarte ging de kamer uit en de deur werd dichtgedaan. Zat ik daar weer alleen, stommeling. Ze kwam nog even kijken. Om het goed te maken ging ik liggen spinnen en kneden met de voorpootjes. Het hielp niet, de deur bleef dicht.

Het was weer een eenzame dag. Heel even kwam het pleegbaasje binnen om een foto van mij te maken. Ik vond het niet prettig als mensen haast hadden, ik ging beledigd met mijn achterkant naar hem toe eten. 's Avonds heb ik nog wel een hele poos lekker op schoot gelegen. De kattenbak was te klein voor mij. Elke keer kwam er wat naast terwijl ik er toch in stond. 's Morgens was ik al vroeg wakker. Ik had niets meer te eten. Na een paar harde geluiden kwam pleegvrouwtje binnen. Ze hield een tubetje bij mijn bek. Ik dacht dat daar wel iets lekkers in zou zitten en deed gelijk mijn bek open. Het was vies. Ze legde uit dat het spul was om lintworm weg te krijgen. Hadden ze dat geen lekkerder smaakje kunnen geven? Gelukkig kon ik de smaak wegwerken met brokjes. Bij het kammen kon ze geen vlooien meer vinden. Ze maakte ook een foto van mij. Het lukte niet goed denk ik. Ze mopperde dat het apparaat veel te zwaar was en dat ze er niks van snapte. Oh ja, nog iets heel belangrijks. Sinds twee dagen waste ik me weer af en toe. Dat had mijn pleegvrouwtje nog nooit gezien.

Die avond deed ze de deur niet dicht, het schot was er ook niet. Ik naar beneden om daar eens te kijken. Op verschillende plaatsen zag ik kattenkopjes om een hoekje naar me kijken. Het leek wel of ze bang waren. Alleen de kleine zwarte bleef bij me in de buurt. Ik heb wat rondgelopen. Elke keer riep pleegvrouwtje tegen me: 'til je pootje op als je loopt'. Ik maakte elke keer een sjj sjj sjj geluid met mijn linkerachtervoetje. Het sleepte nog een beetje. Ik werd moe en heb heel de tijd lekker op de bank gelegen. Na een lekker bakje catmilk ben ik gaan slapen. Die smaak herinnerde me aan het asiel, hoe zou het met de andere poezen zijn?

Later bleef af en toe de deur open. Ook om de kamer een beetje te luchten. Wat een stank soms, al was het van mezelf. Ik merkte dat ik weer overal bij kon om mezelf te wassen. Mijn pleegvrouwtje hoefde nu niet meer elke keer met een nat washandje de poep onder mijn staartje af te vegen. Ik zag er een stuk schoner uit. Soms stelde ik me wel een beetje aan. Daar kwam ze achter toen ze met een stukje kaas voor mijn pilletje de trap opging. Ik liep snel achter haar aan. Normaal gesproken trok ik me aan mijn voorpoten de trap op, dat was ik vergeten.

De kleine zwarte Bob was niet bang van me, af en toe kreeg ik een kopje en hij een mep. De omapoes ging niet weg toen ik naast haar op de bank ging liggen. Haar tong viel elke keer uit haar bek. Dom zicht was dat, later vertelde zij mij dat het normaal is. Zij heeft bijna geen tandjes meer. Snoepjes voor ons waren er ook. Ik moest wel op mijn achterpoten gaan staan om ze te pakken, dat lukte goed. Weet je wat ik die avond ook deed? Ik wist niet of het mocht. Ik sprong op de aanrecht en ging buiten zitten. Daar was een hok waar je ook niet uit kon. Even een frisse neus opdoen was ook lekker. Mijn pleegbaasjes waren heel verbaasd, ze wisten niet dat ik zo goed kon springen.

De volgende dag had ik weer diarree. Wat een viezigheid dat eruit kwam. Slijmerige sliertjes en zo. Gelijk viel het ook te merken aan het eten wat ik kreeg. Het was weer weinig. Ik mocht 's middags even los open en echt waar, overal heb ik gezocht naar iets te eten. Ik zag een plastic zak op de aanrecht liggen, en dacht dat daar iets lekkers in zat. De zak mee naar de deurmat genomen en daar opengemaakt. Nou, dat lustte ik ook niet, er zat sla in. Ik was zo boos dat ik heel de zak aan stukjes heb gescheurd en alle blaadjes sla door heel de keuken heb gesmeten. Ik kreeg een beetje gekookte vis. Bah.

Ik werd weer opgesloten. 's Avonds toen mijn pleegvrouwtje de deur open kwam doen had ik wel een verrassing. Ik had liggen slapen toen ik ineens naar de kattenbak moest. Natuurlijk haalde ik het niet. Ze kon me uitsporen vanaf het bed over de vloerbedekking in het hok. Een beetje in de kattenbak. Dat was dus lekker poetsen. Die kon mopperen. In de keuken stond iets op de aanrecht, kleine witte korreltjes met een kipluchtje eraan. Daar begon ik aan te eten, vreemd spul, niet vies, ook niet lekker. Ze bracht het bakje naar boven en ik ben haar echt achterna gerend. Op de stoel, op tafel, en ik was voor haar boven. 's Nachts voelde ik het kriebelen in mijn keel. Al de rijst kwam eruit samen met spoelwormen. Dus, pleegvrouwtje kon gelijk weer aan het opruimen en ik kreeg weer een dosis wormenspul. Er zaten nu wel stukjes kip tussen de rijst, dat was tenminste iets.

Die avond zat er weer iets heel viezigs in de kattenbak. De diarree was al iets minder. Ik kreeg halfzachte brokjes te eten, Delikat. Op het aanrecht stonden schalen te weken. Ik dronk flink wat van dat warme water met een smaakje. Mijn pootjes deden het steeds beter. Mijn pleegvrouwtje vond het raar dat mijn derde oogleden elke keer te zien waren. 'Wat nou weer', zei ze. Mijn pleegbaasje ging 's avonds met een touwtje achter hem aan de trap af, dat was een leuk spelletje. Ik probeerde elke keer het touw te pakken te krijgen. Mijn pleegvrouwtje zei tegen mij: 'Nog zes dagen, dan gaan we een heel eind rijden met de auto naar het kattentehuis, des te eerder je daar bent, des te sneller heb je een eigen baasje'.

Nog steeds waren mijn knipvliesjes goed te zien. De diarree was ook nog niet helemaal over. Ik kreeg steeds meer honger. Als ze me los lieten lopen hoefde ik ook niet meer zo zenuwachtig te zijn, misschien was het daar wel van. En ik had me toch weer een puinhoop gemaakt. Mijn pleegvrouwtje wilde een beetje rijst voor me uit een schaaltje in een bakje doen. Ik sprong op de aanrecht en nam gelijk de hele schaal met rijst mee, toen ben ik maar van de grond gaan eten. Om de dag was ze thuis, dat merkte ik goed, dan mocht ik veel loslopen. De andere dagen alleen even 's avonds. Ik werd het opsluiten spuugzat. Een poes kreeg ik bijna nooit te zien, het lijkt wel of ze boven op de keuken woont. Die sprong durfde ik niet goed aan.

Het werd al laat 's avonds en ik was nog steeds niet naar boven gestuurd. De hele nacht mocht ik gewoon slapen waar ik wilde.De andere ochtend moest ik weer op mijn kamer, ze waren heel de dag weg. Mijn derde oogleden gingen steeds verder dicht, net gordijntjes. Mijn pleegvrouwtje vond het eng, ze wist niet of ze met me naar de dokter moest of niet. Ik leek immers niet ziek. Wel fijn was dat ik niet meer opgesloten werd als zij thuis waren. Ik kreeg pas in de gaten dat het pleegbaasje zat te ontbijten toen het broodje al op was. Snel ging ik bij hem heel lief op schoot zitten. Hij moest wel lachen, een tweede broodje kwam er niet. Dat zou ik toch eens beter in de gaten gaan houden.

Mijn pleegvrouwtje belde nog naar het kattentehuis. Ze vroeg of ze mijn oogjes aan de dokter moest laten zien. Dat was niet nodig, het kon ook gewoon van de wormen zijn of van te weinig eten. Dat laatste leek me heel aannemelijk. Drie dagen Delikat, rijst en kip, het kwam mijn neus uit. Mijn pleegvrouwtje smokkelde af en toe wel eens met een stuk of vijf brokjes. Als ik dan de lekkere smaak te pakken had waren ze al op. Er begon weer een beetje vorm te komen aan mijn drollen. Ik kreeg een klein beetje blikvoer en ik hoefde weer niet opgesloten, heerlijk. Eindelijk weer gewoon eten. Het pleegbaasje mopperde dat het tijd werd dat ik naar Groningen ging toen ik mijn snoet in het bakje kipkerrie stopte. Rustig eten liet ik hem echt niet. Hij is boven maar gaan eten. De omgekeerde wereld, hij opgesloten in plaats van ik.

's Avonds zaten ze weer iets te eten. Ik wilde dat ook proeven en ik mocht. Ronde harde balletjes, voor een kat niet te eten, wie lust nou druiven. Mijn logeervrouwtje zei dat ik dikker werd. Nog steeds was het net of er gordijntjes voor mijn ogen zaten. De volgende dag was mijn rechteroogje een beetje vies. Ik snoof best erg en liet af en toe een natte nies horen. Mijn eetlust was niet veranderd. Wat was die kleine zwarte een vervelend katertje. Altijd wilde hij bij me zitten, kopjes geven en zo. Een mep hielp ook al niet, hij bleef toch komen. De andere poezen waren gelukkig heel rustig. Zo hoort het ook.

Mijn pleegvrouwtje vertelde dat haar vorige verzorgpoes, Charlie, voorgoed bij zijn nieuwe baasjes mocht blijven. De proefperiode was voorbij en hij had goed zijn best gedaan. Charlie, die weer een nieuwe naam had, Jerommeke, was beter. Hij was een week bij mijn pleegbaasjes weg toen ik kwam. Wat voor eigen baasje zou ik krijgen, zou dat ooit lukken en hoelang zou dat nog gaan duren? Het zou mijn laatste nacht worden bij mijn pleegbaasjes.

Naar Kat in Nood

 
  's Morgens werd ik opgesloten. Dan kon het pleegbaasje natuurlijk rustig eten, net of ik dat niet snapte. Ik hoorde ze rommelen. Het pleegbaasje kwam de deur open doen. Hij nam mijn hok mee de trap af. Ik ging kijken en werd in het hok gezet. Er hingen twee bakjes in. Een met water en een met Delikat. Die halfzachte brokjes kan ik niet meer zien. De andere poezen kwamen kijken en afscheid nemen. Het pleegbaasje droeg me met hok en al naar de auto. Het hok paste er maar net in. Mijn pleegvrouwtje kwam ook en we vertrokken. Ik was bang, wat stond me nu weer te wachten? Ik begon te protesteren. Galmen hielp niet en ik werd er zo moe van. Dus ik keek maar gewoon rustig naar buiten. Alleen als de auto wat zachter ging rijden ging ik weer miauwen. Dan zeiden ze elke keer: 'Nee, we zijn er nog niet'. Slecht weer dat het was, het regende en bleef regenen. Al twee maanden had ik niet goed naar buiten kunnen kijken. De laatste keer dat ik buiten liep was alles nog groen en het was lekker warm. Nu waren de blaadjes aan de bomen allemaal geel en rood. Het was buiten zo nat dat ik blij was dat ik binnen zat. Het schoot ook niet echt op. Wat zijn er veel auto's. Een hele tijd stonden de auto's elke keer achter elkaar stil of ze reden heel zachtjes. Dat heet file. Zou iedereen voor zijn plezier daarachter gaan staan. Nou ja, dacht ik, eigen schuld. Ik was niet op dat idee gekomen. We zaten al zo'n twee uur in de auto. Mijn pleegvrouwtje had zo'n zin in koffie dat we even stopten. Ik kreeg een stukje brood met kleine bruine korreltjes erop. Hagelslag vond ik niet lekker, dus ik heb het in mijn kattenbak gelegd. Wij weer verder. Na een hele poos stopten we. Het pleegbaasje stopte een slang in de auto waar vies ruikend spul uit kwam. Dat heet benzine en is nodig om te rijden. Hij kwam terug en had iets bij wat lekker rook. Ik kreeg een stukje kroket, het was veel beter dan hagelslag. Ik werd erg moe, ik was al vijf uur wakker en ging liggen dutten.  

Bij Kat in Nood

 
  Ik werd wakker van het gehobbel, noemden ze dat een weg? We stopten. Mijn hok en ik werden uit de auto getild. Waar waren we? Ik zag maar een klein huis. Zover je kon kijken was anders niks te zien. En regenen. Voor we binnen waren was ik helemaal nat. We kwamen twee hondjes tegen. Van boosheid en angst blies ik tegen ze, ik maakte me heel groot en deed een plas buiten de kattenbak. 'Hallo Bram', zei een mevrouw. We gingen binnen, door een klein raam zag ik grote hokken met poezen erin. Waar ik kwam was alles leeg. Heel veel lege hokken. Ik was de eerste. Er hadden heel lang geen nieuwe poezen mogen komen omdat er een gemene niesziekte was. Daarom had ik op een dag na drie weken bij mijn pleegbaasjes gelogeerd. Daar kwam een verzorgmijnheer, die wist ook al dat ik zou komen. Ik werd uit mijn hok gehaald en op tafel gezet. Daar had ik helemaal geen zin in en ik deed alle mogelijke moeite om weg te komen. Mijn pleegbaasjes waren heel verbaasd, ze vertelden aan de verzorgmijnheer dat ik anders heel rustig was. Nou, toen dus niet. Hij vroeg een heleboel over mij, keek in mijn oren en kamde mij. Ze konden lekker geen beestjes vinden. En ik maar tegenstribbelen. Ik vond er niks meer aan. Ze spraken over mij, dat ik misschien als jong katje veel tekort gekomen was, ik was zo mager en schonkig. Ze hadden het nog over de gordijntjes voor mijn ogen. Het kan toch van de wormen zijn. Daar gaan ze ook nog extra aandacht aan besteden. Ik vond alles doodeng en probeerde steeds weer weg te komen. Tot overmaat van ramp werd ik weer in een hok gezet. Om tot rust te komen. Wat baalde ik. En toen, heerlijk, toen kreeg ik een bakje blikvoer en een bak brokjes. Zoveel eten had ik al heel lang niet bij elkaar gezien. Ik wist niet wat ik eerst op zou eten, dus nam ik om de beurt een hap uit elke bak. Als dat daar elke keer zo zou zijn, was ik vast zo gewend. Het pleegbaasje keek om het hoekje toen ze weggingen en lachte toen hij mij zag eten. Ik rolde me met een lekker voldaan gevoel op om te gaan slapen. Vol vertrouwen in de dag van morgen.  

Nawoord

 
  Bram werd bij KIN al snel weer Manke Nelis gedoopt. Een verzorgster was pas gescheiden, haar man heette Bram. Hij is keurig netjes verzorgd, een eigen baasje heeft Bram niet meer gekregen. Helaas mocht hij maar kort genieten van zijn verblijf bij KIN. Hij is in mei 1996 gestorven, ik meen aan een acuut nier- of hartprobleem. Het had dus niets te maken met de aandoening waarvoor hij in eerste instantie op de nominatie stond om een laatste slaapspuitje te krijgen.